51
Ik wil u prijzen, Jahweh, mijn Koning; U loven, God van mijn heil. Ik wil uw Naam roemen, stut van mijn leven, Want Gij hebt mijn ziel gered van de dood; Gij hebt mijn lichaam voor het bederf bewaard, Mijn voeten aan de greep van de onderwereld ontrukt! Gij hebt mij gered van de gesel van lastertongen, Van lippen, die leugentaal uitslaan; Gij hebt mij bijgestaan tegen mijn vijand, En naar uw grote barmhartigheid mij bevrijd Uit de strikken van hen, die loerden op buit, Uit de hand van hen, die mijn leven belaagden. Gij hebt mij verlost uit grote benauwing, Uit de vlammennood, die mij omgaf; Midden uit het vuur, dat zonder rust oplaaide, Uit de dorre schoot van het dodenrijk; Van vuile lippen en lasterpraat, En de pijlen van valse tongen. Mijn ziel was gekomen tot dicht bij de dood, Mijn leven dicht bij de onderwereld; Ik wendde mij naar alle kant, Maar er was niemand, die hielp; Ik zag uit naar een stut, Maar er was er niet één. Toen dacht ik aan Jahweh's barmhartigheid terug, En aan zijn goedheid van weleer: Hoe Hij redt, die op Hem vertrouwen, En hen van alle kwaad verlost! Daarom verhief ik mijn stem van omlaag, Van de poorten der onderwereld rees mijn gebed. 10 Ik riep: “Jahweh, mijn Vader zijt Gij, Gij zijt de Held, die mij redt! Verlaat mij niet op de dag van benauwing, Op de dag van val en ondergang. Dan zal ik altijd uw Naam blijven loven, U blijven roemen in mijn gebed.” 11 En Jahweh luisterde naar mijn stem, En gaf gehoor aan mijn smeken; Hij verloste mij van alle kwaad, En redde mij op de dag van benauwing. 12 Daarom zal ik loven en prijzen En blijven zegenen de Naam van Jahweh! 13 Toen ik nog jong was en niet rondreisde, Vroeg ik reeds wijsheid in mijn gebed; 14 Voor de ingang van de tempel bad ik erom, En hield niet op, er naar te streven. 15 Zij gedijde als een rijpende druif, En mijn hart vond in haar zijn genot. Mijn voet ging de weg van haar waarheid, Van mijn jeugd af volgde ik haar spoor; 16 Ik heb mijn oor slechts een weinig te luisteren gelegd, Maar veel kennis heb ik gevonden. 17 Haar juk werd mijn roem; Hem, die mij leerde, geef ik de eer. 18 Zonder rust zag ik naar haar uit, En werd niet beschaamd, want ik heb haar gevonden. 19 Mijn ziel bleef haar altijd verkleefd; Ik zocht haar bij al mijn daden. Mijn hand opende haar poort; Ik trad bij haar binnen en aanschouwde haar. 20 Ik legde mij erop toe, haar te volgen, En heb haar in reinheid gevonden. Van de aanvang af heb ik door haar inzicht verkregen; Daarom zal ik haar nimmer verlaten. 21 Mijn binnenste brandde om haar te vinden; Daarom verwierf ik een heerlijk bezit. 22 Jahweh gaf mij welbespraaktheid als loon; Daarom prijs ik Hem met mijn tong. 23 Komt dus tot mij, onverstandigen, En wilt in mijn leerschool vertoeven. 24 Hoelang nog wilt gij dit alles ontberen, Terwijl uw ziel er naar dorst? 25 Ik open mijn mond, en roep u toe: Koopt u wijsheid zonder geld; 26 Buigt uw nek onder haar juk, Uw ziel drage haar last. Zij is dicht bij hen, die haar zoeken, En wie zich moeite geeft, zal haar vinden. 27 Ziet met eigen ogen, hoe weinig ik zwoegde, En hoe groot de rust is, die ik vond. 28 Luistert in uw jeugd naar mijn onderricht; Gij verwerft daardoor veel zilver en goud. 29 Wanneer uw ziel in mijn leer haar genot vindt, Stelt mijn lofzang u niet teleur. 30 Verricht uw werken in gerechtigheid, En Hij geeft u te zijner tijd uw loon!